KERNDOELEN
Door selectie zijn alleen de kerndoelen genoemd die directe relatie hebben met boerderij-educatie.

Beleven
1. De leerlingen leren informatie te verwerven informatie uit gesproken taal. Ze leren tevens die informatie,mondeling of schriftelijk,gestructureerd weer te geven.
12. De leerlingen verwerven een adequate woordenschat en strategieën voor het begrijpen van voor hen onbekende woorden. Onder “woordenschat”vallen ook begrippen die het leerlingen mogelijk maken over taal te denken en te spreken.
28. De leerlingen leren schattend tellen en rekenen.
29. De leerlingen leren handig optellen,aftrekken,vermenigvuldigen en delen.
34. De leerlingen leren de zorg te dragen voor de lichamelijke en psychische gezondheid van henzelf en anderen.
35. De leerlingen leren zich redzaam te gedragen in sociaal opzicht,als verkeersdeelnemer en als consument.
37. De leerlingen leren zich te gedragen vanuit respect voor algemene aanvaarde waarden en normen.
38. De leerlingen leren hoofdzaken over geestelijke stromingen die in de Nederlandse multiculturele samenleving een belangrijke rol spelen en ze leren respectvol om te gaan met verschillen in opvattingen van mensen.
39. De leerlingen leren met zorg om te gaan met het milieu.

Natuur en Techniek
1. De leerlingen leren informatie te verwerven informatie uit gesproken taal. Ze leren tevens die informatie,mondeling of schriftelijk,gestructureerd weer te geven.
4. De leerlingen leren informatie te achterhalen in informatieve en instructieve teksten waaronder schema’s,tabellen en digitale bronnen.
40. De leerlingen leren in de eigen omgeving veel voorkomende planten en dieren te onderscheiden en benoemen en leren hoe ze functioneren in hun leefomgeving.
41. De leerlingen leren over de bouw van planten,dieren en mensen en over de vorm en functie van hun onderdelen.
42. De leerlingen leren onderzoek doen aan materialen en natuurkundige verschijnselen,zoals licht,geluid,elektriciteit,kracht,magnetisme en temperatuur.
43. De leerlingen leren hoe je weer en klimaat kunt beschrijven met behulp van temperatuur,neerslag en wind.
44. De leerlingen leren bij producten uit hun eigen omgeving relaties te leggen tussen de werking,de vorm en het materiaalgebruik.
45. De leerlingen leren oplossingen voor technische problemen te ontwerpen,deze uit te voeren en te evalueren.
46. De leerlingen leren dat de positie van de aarde ten opzichte van de zon leidt tot natuurverschijnselen,zoals seizoenen en dag-/nachtritme.

Discussiëren
1. De leerlingen leren informatie te verwerven informatie uit gesproken taal. Ze leren tevens die informatie,mondeling of schriftelijk,gestructureerd weer te geven.
2. De leerlingen leren zich naar vorm en inhoud uit te drukken bij het geven en vragen van informatie,het uitbrengen van verslag,het geven van uitleg,het instrueren en bij het discussiëren.
3. De leerlingen leren informatie te beoordelen in discussies en in een gesprek dat informatief of opiniërend van karakter is en leren met argumenten te reageren.
5. De leerlingen leren naar inhoud en vorm teksten te schrijven met verschillende functies,zoals:informeren,instrueren, overtuigen of plezier verschaffen.
7. De leerlingen leren informatie en meningen te vergelijken en te beoordelen in verschillende teksten.
8. De leerlingen leren informatie en meningen te ordenen bij het schrijven van een brief,een verslag,een formulier of een werkstuk. Zij besteden daarbij aandacht aan zinsbouw,correcte spelling,een leesbaar handschrift,bladspiegel,evt. beeldende elementen van kleur.
9. De leerlingen krijgen plezier in het lezen en schrijven van voor hen bestemde verhalen,gedichten en informatieve teksten.
34. De leerlingen leren de zorg te dragen voor de lichamelijke en psychische gezondheid van henzelf en anderen.
35.De leerlingen leren zich redzaam te gedragen in sociaal opzicht,als verkeersdeelnemer en als consument.
37. De leerlingen leren zich te gedragen vanuit respect voor algemene aanvaarde waarden en normen.
38. De leerlingen leren hoofdzaken over geestelijke stromingen die in de Nederlandse multiculturele samenleving een belangrijke rol spelen en ze leren respectvol om te gaan met verschillen in opvattingen van mensen.
39. De leerlingen leren met zorg om te gaan met het milieu.

Rekenen en meten
24. De leerlingen leren praktische en formele reken-wiskundige problemen op te lossen en redeneringen helder weer te geven.
25. De leerlingen leren aanpakken bij het oplossen van reken-wiskundige problemen te onderbouwen en leren oplossingen te beoordelen.
26. De leerlingen leren structuur en samenhang van aantallen,gehele getallen,kommagetallen,breuken,procenten en verhoudingen op hoofdlijnen te doorzien en er in praktische situaties mee te rekenen.
27. De leerlingen leren de basisbewerkingen met gehele getallen in elk geval tot 100snel uit het hoofd uitvoeren,waarbij optellen en aftrekken tot 20 en de tafels van buiten gekend zijn.
28. De leerlingen leren schattend tellen en rekenen.
29. De leerlingen leren handig optellen,aftrekken,vermenigvuldigen en delen.
32. De leerlingen leren eenvoudige meetkundige problemen op te lossen.
33. De leerlingen meten en leren te rekenen met eenheden en maten, zoals bij tijd, geld, lengte, omtrek, oppervlakte, inhoud, gewicht, snelheid en temperatuur.

Mens en natuur
33. De leerlingen meten en leren te rekenen met eenheden en maten,zoals bij tijd,geld,lengte,omtrek,oppervlakte,inhoud,gewicht,snelheid en temperatuur.
40. De leerlingen leren in de eigen omgeving veel voorkomende planten en dieren te onderscheiden en benoemen en leren hoe ze functioneren in hun leefomgeving.
41. De leerlingen leren over de bouw van planten,dieren en mensen en over de vorm en functie van hun onderdelen.
42. De leerlingen leren onderzoek doen aan materialen en natuurkundige verschijnselen,zoals licht,geluid,elektriciteit,kracht,magnetisme en temperatuur.
43. De leerlingen leren hoe je weer en klimaat kunt beschrijven met behulp van temperatuur,neerslag en wind.
44. De leerlingen leren bij producten uit hun eigen omgeving relaties te leggen tussen de werking,de vorm en het materiaalgebruik.
45. De leerlingen leren oplossingen voor technische problemen te ontwerpen,deze uit te voeren en te evalueren
46. De leerlingen leren dat de positie van de aarde ten opzichte van de zon leidt tot natuurverschijnselen,zoals seizoenen en dag-/nachtritme.

Gezondheid en voeding
1. De leerlingen leren informatie te verwerven informatie uit gesproken taal. Ze leren tevens die informatie,mondeling of schriftelijk,gestructureerd weer te geven.
2. De leerlingen leren zich naar vorm en inhoud uit te drukken bij het geven en vragen van informatie,het uitbrengen van verslag,het geven van uitleg,het instrueren en bij het discussiëren.
3. De leerlingen leren informatie te beoordelen in discussies en in een gesprek dat informatief of opiniërend van karakter is en leren met argumenten te reageren.
4. De leerlingen leren informatie te achterhalen in informatieve en instructieve teksten waaronder schema’s,tabellen en digitale bronnen.
34. De leerlingen leren de zorg te dragen voor de lichamelijke en psychische gezondheid van henzelf en anderen.
35. De leerlingen leren zich redzaam te gedragen in sociaal opzicht,als verkeersdeelnemer en als consument.
40. De leerlingen leren in de eigen omgeving veel voorkomende planten en dieren te onderscheiden en benoemen en leren hoe ze functioneren in hun leefomgeving.
58. De leerlingen leren samen met anderen op een respectvolle manier aan bewegingsactiviteiten deelnemen,afspraken maken over het reguleren daarvan,de eigen bewegingsmogelijkheden inschatten en daarmee bij activiteiten rekening houden.

Milieu
39. De leerlingen leren met zorg om te gaan met het milieu.
42. De leerlingen leren onderzoek doen aan materialen en natuurkundige verschijnselen,zoals licht,geluid,elektriciteit,kracht,magnetisme en temperatuur.
43. De leerlingen leren hoe je weer en klimaat kunt beschrijven met behulp van temperatuur, neerslag en wind.
44. De leerlingen leren bij producten uit hun eigen omgeving relaties te leggen tussen de werking,de vorm en het materiaalgebruik.
45. De leerlingen leren oplossingen voor technische problemen te ontwerpen,deze uit te voeren en te evalueren.
46. De leerlingen leren dat de positie van de aarde ten opzichte van de zon leidt tot natuurverschijnselen, zoals seizoenen en dag-/nachtritme.

Samenwerken
34. De leerlingen leren de zorg te dragen voor de lichamelijke en psychische gezondheid van henzelf en anderen.
35. De leerlingen leren zich redzaam te gedragen in sociaal opzicht,als verkeersdeelnemer en als consument.
37. De leerlingen leren zich te gedragen vanuit respect voor algemene aanvaarde waarden en normen.
38. De leerlingen leren hoofdzaken over geestelijke stromingen die in de Nederlandse multiculturele samenleving een belangrijke rol spelen en ze leren respectvol om te gaan met verschillen in opvattingen van mensen.
39. De leerlingen leren met zorg om te gaan met het milieu.
45. De leerlingen leren oplossingen voor technische problemen te ontwerpen,deze uit te voeren en te evalueren
54. De leerlingen leren beelden, taal, muziek, spel en beweging te gebruiken om er gevoelens en ervaringen mee uit te drukken en om er mee te communiceren.
55. De leerlingen leren op eigen werk en dat van anderen te reflecteren.
58. De leerlingen leren samen met anderen op een respectvolle manier aan bewegingsactiviteiten deelnemen, afspraken maken over het reguleren daarvan, de eigen bewegingsmogelijkheden inschatten en daarmee bij activiteiten rekening houden

Woordenschat
1. De leerlingen leren informatie te verwerven informatie uit gesproken taal. Ze leren tevens die informatie, mondeling of schriftelijk, gestructureerd weer te geven.
2. De leerlingen leren zich naar vorm en inhoud uit te drukken bij het geven en vragen van informatie, het uitbrengen van verslag, het geven van uitleg, het instrueren en bij het discussiëren.
12. De leerlingen verwerven een adequate woordenschat en strategieën voor het begrijpen van voor hen onbekende woorden. Onder “woordenschat” vallen ook begrippen die het leerlingen mogelijk maken over taal te denken en te spreken.

Cultuur
54. De leerlingen leren beelden, taal, muziek, spel en beweging te gebruiken om er gevoelens en ervaringen mee uit te drukken en om er mee te communiceren.
55. De leerlingen leren op eigen werk en dat van anderen te reflecteren.
56. De leerlingen verwerven enige kennis over en krijgen waardering voor aspecten van cultureel erfgoed.